Samenleving & Politiek

De transformatie van Frank Vandenbroucke: van alternatief naar bestuurder

Ooit dacht de Socialistische Partij, met een jonge Frank Vandenbroucke op kop, grondig na over alternatieven op het neoliberalisme. Vandaag is dat weer meer dan ooit nodig.

Bij het aantreden van de regering-Arizona, voelde vicepremier en minister Frank Vandenbroucke zich geroepen de nieuwe coalitie te verdedigen. In een interview met Knack benadrukte hij dat het regeerakkoord veel sterker zou zijn dan dat van Vivaldi daarvoor, ondanks de "zeer conservatieve en zeer rechtse" coalitiepartners. Premier Bart De Wever streefde namelijk naar niets minder dan een historische besparingsregering, waar de Vlaamse sociaaldemocraten ongemakkelijk de scherpe kantjes van af proberen te veilen.

Waarom brengen de sociaaldemocraten zichzelf in zo'n benarde situatie? Critici interpreteren het als een volgende stap op de ideologische 'Derde Weg', de weg tussen het socialisme en liberale vrijemarktdenken in, die ze drie decennia geleden zijn ingeslagen. In de ban van nieuwe ideeën over sociale rechtvaardigheid, zijn ze al lang hun strijdvaardigheid verloren. Voor anderen, hoofdspelers zoals Vandenbroucke inbegrepen, is het een kwestie van politieke verantwoordelijkheid: zonder hen zou het erger zijn, redeneren ze. De Derde Weg lijkt dus niet enkel een ideologische koerswijziging, maar ook een antwoord op een nieuwe politiek-economische context.

Een korte geschiedenis

Dit stuk houdt de spanning tussen praktijk en ideologie onder de loep die de Vlaamse sociaaldemocratische partij sinds de neoliberale omslag in België, ingezet door de regering-Martens V (1981-1985), ervaart. We onderzoeken in het bijzonder de verschuivingen in het denken van Frank Vandenbroucke. Zijn rol in de Socialistische Partij (SP) is sinds de jaren 1980 gestaag gegroeid, van zijn begin in 1982 als onderzoeker op de studiedienst en langs zijn aantreden in 1989 als partijvoorzitter. Al die tijd bleef Vandenbroucke zijn politieke visie voor de SP neerschrijven en onderbouwen, wat een uniek inzicht biedt in de verschuivingen binnen de Vlaamse sociaaldemocratie.

De SP en Vandenbroucke waren voornamelijk bezig met het uittekenen van een toekomstvisie voor de welvaartsstaat na de crisis van de jaren 1970. Na 1945 had die partij zich genesteld in het gloednieuwe naoorlogse overlegmodel, waarbinnen heel wat sociale vooruitgang mogelijk werd. In de jaren 1970 botste dit model echter op een tot dan toe ongekende combinatie van hoge inflatie, werkloosheid en vertraging van economische groei: de stagflatiecrisis. Als antwoord daarop sprong de liberale Partij voor Vrijheid en Vooruitgang (PVV) op de kar van economische disciplinering, hierin geruggesteund door de Christelijke Volkspartij (CVP) met wie ze de regering-Martens V vormde. De uitbreiding van de welvaartsstaat kwam tot halt. De SP stond daardoor voor een existentieel vraagstuk: wat is haar doel en perspectief, nu haar grootste verwezenlijking op limieten stuitte?

Net na de neoliberale omslag in 1982 zocht een jonge Vandenbroucke naar manieren om het sociaaldemocratische project te radicaliseren

Meerdere antwoorden dienden zich aan. Net na de omslag in 1982 zocht een jonge Vandenbroucke naar manieren om het sociaaldemocratische project te radicaliseren en zo een tweede adem te geven. De SP bleef naar alternatieven zoeken, tegen Martens en Verhofstadt in. Pas nadat ze deze zoektocht staakte, stolde in de jaren 1990 de SP-consensus in de vorm van de 'actieve welvaartsstaat' van de jaren 1990. Op deze nieuwe leest kon de SP in 1999 in zee gaan met de vervelde liberalen, de VLD van Verhofstadt, in de eerste paarse regering.

De heruitvinding van de SP legde de basis voor haar deelname aan besparingsregeringen - eerst met de CVP, daarna de VLD, vandaag de N-VA. Het dwong de SP om haar verhouding met de vakbond te heroverwegen, waardoor die laatste zijn macht binnen de partij zag slinken. De partij stelde beetje bij beetje haar verhaal over haar doelen, achterban en kiespubliek bij, en schiep zo een opening voor een meer assertieve verdediging van het welvaartsmodel en vakbonden, die de PVDA sindsdien gretig benut.

'Het Alternatief' tegen Martens V (1980-1983)

In de jaren 1970 volgden een ongeziene economische crisis en de neoliberale aanval op de welvaartsstaat elkaar op de voet. Noch de SP, noch de twee grootste vakbonden beschikten over duidelijke en krachtige alternatieven. De partij was danig in slaap gewiegd door de 'gouden jaren 1960': jarenlang had ze kunnen rekenen op sterke economische groei, waardoor ad-hocmaatregelen volstonden als economisch beleid. Een structurele analyse van de economie was na de grote economische congressen van de jaren 1950 naar de achtergrond verdwenen.

Een alternatieve economische beleidsvisie ontwikkelde zich dan ook buiten de gevestigde partijstructuren. Vooral de academische wereld en studenten speelden een belangrijke rol in de context van de radicalisering van de studentenbeweging van de jaren 1960. In Leuven vormde een eclectische mix van academici van de faculteiten economie en sociologie, evenals marxistische studenten (onder invloed van Ernest Mandel), debatgroepen die economische onderwerpen bespraken en daarover publiceerden. Hieruit ontstond de 'Werkgroep politieke ekonomie en arbeid' (POLEKAR). Het was via deze werkgroep dat Frank Vandenbroucke, eind jaren 1970 nog lid van de trotskistische RAL, uitgroeide tot publiek intellectueel en sociaaldemocratisch beleidsmaker.

De sleutel tot het formuleren van een alternatief op bezuinigingen, zo stelden hij en de leden van POLEKAR, lag in het begrijpen van de crisis van de jaren 1970. In de eerste plaats legden ze hierbij de nadruk op het internationale karakter van de crisis en de structurele langetermijnoorzaken ervan. Op typisch Keynesiaanse wijze stelde Vandenbroucke dat stijgende energieprijzen hadden geleid tot een verlies aan koopkracht in de grote westerse economieën, die onvoldoende gecompenseerd werd door de vraag naar goederen en diensten uit de OPEC-landen. Structureel zag hij in de crisis een overgang tussen twee technologische langetermijncycli, wat haaks stond op de verklaring van de Belgische monetaristen, in het bijzonder die van Paul De Grauwe en zijn Leuvense collega's. Zij schreven de crisis vooral toe aan hoge looneisen.

Bovenal, zo pleitte Vandenbroucke, stond het nationale keynesiaanse beleid van weleer machteloos: alleen een globaal antwoord kon een globale crisis bedwingen. De mislukking en ommekeer van de Franse president Mitterrand in 1983 stonden hiervoor symbool: deze was met een radicaal economisch programma aan de macht gekomen, maar moest onder druk van de internationale markten al snel inbinden. Vandenbroucke concludeerde dat in een geglobaliseerd tijdperk geen enkel land op zichzelf een anticyclisch beleid kon voeren. Daarom achtte hij het van essentieel belang dat op internationaal niveau een beleidskader kapitaalvlucht beperkte en loonontwikkelingen, arbeidstijden en technologische innovaties coördineerde. Een oplossing op wereldschaal was allicht niet haalbaar, maar op Europees niveau zag hij mogelijkheden. Dit optimisme deelde hij overigens met vele andere Europese socialisten in de jaren 1970.

Het denkwerk van Vandenbroucke had een directe invloed op de politieke strijd van de SP tegen Martens V

Het denkwerk van Vandenbroucke en co had een directe invloed op de politieke strijd die de SP tegen Martens V en zijn neoliberale agenda voerde - niet het minst omdat een aantal leden van POLEKAR binnen de SP aan de slag ging. Op het SP-congres van 1983 vormde hun werk een belangrijke intellectuele leidraad voor het ambitieuze 'Sociaal-Economisch Alternatief'. Dit bestond niet alleen uit een "gekoördineerde strategie van internationale relance", maar ijverde ook voor een politiek-economische coördinatie op nationaal niveau. Dat was volgens de tekst niet meer of minder dan de "plicht van de socialisten" die erin bestond Martens' "reaktionair beleid te bestrijden met alle mogelijke demokratische middelen". Niet toevallig luidde de slotzin van Willy Claes' toespraak op dat congres van het Alternatief dan ook: "Na Reagan komt zonneschijn".

Het Alternatief stelde een nieuw groeimodel voor om de Belgische economie op pad naar een duurzame toekomst te zetten. Een nieuwe investeringspolitiek was cruciaal daarvoor. De conservatieve Belgische holdings zouden namelijk niet gedurfd hebben te investeren in nieuwe technologieën en modellen, waardoor de Belgische nijverheid op de wereldmarkt langs alle kanten voorbijgestreefd was. Het was nu aan de staat om dit recht te trekken, en meteen ook andere kwetsbaarheden af te bouwen. De importafhankelijkheid van fossiele brandstoffen moest worden verminderd om de desastreuze impact van een volgende oliecrisis te vermijden. Verder moest België de binnenlandse groei stimuleren, in plaats van alle eieren in de mand te leggen van de buitenlandse vraag. Dit zou de Belgische economie enigszins afschermen van de competitieve druk van de globalisering.

Zo'n politieke coördinatie was enkel mogelijk door de economie verder te democratiseren: het Alternatief zou immers niet uitvoerbaar zijn "zonder veranderingen in de machtsverhoudingen". Vooral de macht van de financiële sector en de energiebedrijven moest aan banden worden gelegd. Daarnaast zouden vakbonden een belangrijkere rol krijgen in overheidsinstellingen en bedrijven. In zijn geschiedenis van de Belgische socialistische vakbond (Van crisis tot crisis, 1981) had Vandenbroucke reeds gesteld dat democratische planning een lang strijdpunt van het ABVV was. Die strijd voortzetten was het antwoord op de crisis van de jaren 1970. Met name de enorme werkloosheid ten gevolge van de crisis, kon alleen worden bestreden door de hefbomen van de economie onder democratische controle te brengen.

Dit alles uitte zich in een erg strijdvaardig programma ten opzichte van Martens V, met een duidelijk andere visie op de politiek-economische toekomst van België. Louis Tobback (SP) kondigde niet minder dan de heropleving van de klassenstrijd aan, waarbij de nieuwe SP-agenda "de bazen door de strot moest worden geduwd".

De stille dood van 'Het Alternatief' (1984-1986)

Deze hoogdravende retoriek niettegenstaande, verdween het Alternatief enkele jaren later stilletjes van het toneel. Hoewel Vandenbroucke meteen na de voorstelling van het Alternatief werd verkozen, ging de partij bij de nationale verkiezingen van 1985 slechts enkele percenten vooruit en bleef steken op 14,5%. De regeringscoalitie van Martens behield haar meerderheid en voelde zich gesterkt. De ongeziene mobilisatie tegen het neoliberale Sint-Annaplan - met zo'n 200.000 deelnemers - slaagde er niet in het beleid te beïnvloeden.

Deze context maakte volgens Jacques Brepoels, historicus van de socialistische beweging, de weg vrij voor een meer Vlaams georiënteerde generatie sociaaldemocratische politici, waaronder Karel Van Miert. Zij bekommerden zich meer om de zorgen van opkomende sociale bewegingen dan om structurele economische hervormingen. De socialistische vakbond bleef zich dan wel verzetten tegen neoliberale hervormingen, maar haar interventies op het partijcongres van 1986 misten hun doel. Voorstellen voor radicalere fiscale hervormingen en een verkorting van de arbeidstijd werden afgezwakt.

Tegen 1987 was de SP weer klaar om deel uit te maken van een besparingsregering

Dit zorgde er tegen 1987 voor dat de partij weer klaar was om deel uit te maken van een besparingsregering. Het socialistische doel was niet langer om de neoliberale hervormingen ongedaan te maken, maar om ze af te zwakken. Met het verlaten van hun Alternatief volgden de Vlaamse socialisten de weg die door vele andere Europese socialistische partijen - onder andere in West-Duitsland, het VK, Griekenland en Spanje - al veel eerder was ingeslagen. Zodoende werd het socialistisch Alternatief begraven, zonder dat het ooit in de praktijk was omgezet. Tegelijk zullen we besluiten dat deze wending in zekere zin wel in lijn was met Vandenbroucke's economische analyse: als het alternatief staat of valt met internationale coördinatie, hetgeen op Europees niveau alsmaar minder mogelijk leek, moest het geweer van schouder veranderd.

De SP bespaart mee onder Dehaene (1987-1999)

Op het moment dat de SP het Alternatief liet vallen en zichzelf heruitvond, wankelde ook de regeringscoalitie zelf. Verzwakt als ze was door het doorgedreven neoliberaal discours en beleid van kersvers minister Verhofstadt, bezweek Martens VI in 1987 onder de communautaire spanningen rond de Voerense burgemeester Happart. Hoewel een verderzetting van de rooms-blauwe coalitie wiskundig mogelijk was, stelden de Waalse christendemocraten (PSC) hun veto tegen een te radicale Verhofstadt. De CVP kon het geweer van schouder veranderen, richting een rooms-rode coalitie, maar daar stonden toonaangevende figuren als Herman Van Rompuy dan weer vijandig tegenover. Initieel wilden zij niet terug naar de 'spillingszieke socialisten'. De patstelling werd opgelost door Jean-Luc Dehaene, die vanuit zijn achtergrond bij de christelijke arbeidersbeweging aanstuurde op een rooms-rode coalitie. Hij vroeg 100 dagen aan de Koning en slaagde in zijn opzet.

De sociaaldemocraten namen zodoende deel aan een besparingsregering, al moet dit worden genuanceerd. Het besparingstraject bleef overeind, Wilfried Martens, hét gezicht van de rooms-blauwe besparingen, bleef premier en de indexsprongen van 1982 kregen vastere vorm in de competitiviteitsnorm van 1989. Daarenboven kon Martens een nieuwe staatshervorming onderhandelen met de PS. Aan de andere kant kon de PS uitpakken met een 'retour au coeur'. Volgens Alfons Verplaetse, architect van de neoliberale bocht in 1982 en ondertussen gouverneur van de Nationale Bank van België (NBB), kwam er een pauze in de besparingsplannen. Voor hem gingen de besparingen niet ver genoeg. Hij adviseerde Martens in het voorjaar van 1991 dan ook om de coalitie te laten vallen, maar die weigerde.

In deze nieuwe coalitie werd budgettaire discipline daarom voornamelijk afgedwongen onder externe druk, die met name uitgeoefend werd door de NBB. Zo wilde Verplaetse de Belgische Frank koppelen aan de Duitse Mark. Na overleg met Martens zou dat worden besproken met de andere ministers. Het nieuws werd echter gelekt - Dehaene vermoedde dat Verplaetse daar zelf voor verantwoordelijk was - waardoor die koppeling een voldongen feit werd. Dat kwam sommigen goed uit: democratisch debat over zo'n macro-ingreep, en de onvoorspelbaarheid die ermee samengaat, zou het vertrouwen in de Belgische Frank op de financiële markten onderuit kunnen halen. Voortaan werd het Belgische monetaire beleid bepaald door het monetaristische West-Duitsland, wat impliceerde dat het begrotings- en arbeidsmarktbeleid van België het West-Duitse pad moest volgen. De gevolgen daarvan waren niet min. Zoals Verplaetse opmerkte: "De sociale partners zullen braaf moeten zijn."

Dezelfde coalitie ging na 1991 verder, deze keer met Dehaene aan het roer (Dehaene I, 1992-1995). Politiek gezien had de coalitie een grote slag gekregen na de uitslagen van Zwarte Zondag en de doorbraak van het Vlaams Blok. Daarnaast had Martens als ontslagnemend premier het Verdrag van Maastricht nog ondertekend. Waar budgettaire druk voordien vooral werd opgelegd door de financiële markten, en aangekaart door de NBB, maakten Europese doelstellingen die verdere besparingen nu verplicht. Dehaene zou naar een overheidsschuld van 60% en een begrotingstekort van 3% van het bbp moeten streven, terwijl die voorlopig op respectievelijk 127,2% en 7,5% stonden.

Noch de christendemocraten, noch de sociaaldemocraten hadden zin om in deze context verder te regeren. Dehaene zei tegen zijn achterban: "Jullie willen absoluut dat de CVP in de regering gaat. Goed, maar het zal hard zijn. [...] Immers, wat we moeten doen, zal pijn doen." Frank Vandenbroucke verkondigde op zijn beurt min of meer hetzelfde op het SP-congres: "En als je mij dus vraagt of wij er graag bij zijn, dan zeg ik u uit de grond van mijn hart, absoluut niet. Als je mij vraagt of de socialisten nodig zijn, dan zeg ik ja." Beide partijen waren tot elkaar veroordeeld, om samen te besparen. Slaagden ze hier niet in, zag Dehaene alleen Verhofstadt en Dewinter met de chaos hun voordeel doen.

CVP en SP waren na 1991 tot elkaar veroordeeld, om samen te besparen

In de zomer van 1993 bereikte een speculatiegolf de Belgische Frank. Om de Belgisch-Duitse tandem heel te houden, wou Verplaetse een duidelijk regeringssignaal dat de begrotingsdiscipline koste wat kost overeind zou blijven. Dehaene's Globaal Plan was het antwoord. Initieel ontwierp hij dit samen met de vakbonden, maar die trokken hun steun in toen Dehaene hen naar eigen zeggen voorbij hun "pijngrens" trok. Het Plan beloofde immers verdere loonblokkeringen en een strenger werkloosheidsbeleid. Toch droeg ook deze besparingsronde het keurmerk van de rooms-rode coalitie: om de sociale uitgaven zo veel mogelijk te ontzien, werd het gat in de begroting vooral gestopt via privatiseringen en verhoogde belastingen, terwijl de overheid een onverwachte meevaller kreeg in de vorm van lagere interesten op haar leningen.

De opkomst van de 'actieve welvaartsstaat'

In deze rooms-rode coalities kreeg de SP voortaan de rol van sociale bemiddelaar bij de besparingen die de naoorlogse welvaartsstaat transformeerden. Het is in deze politieke context dat Frank Vandenbroucke en de SP ook ideologische vernieuwing zochten: hoe kon de nieuwe houding ten opzichte van de welvaartsstaat verklaard en verantwoord worden?

Een belangrijke verschuiving, die zelden becommentarieerd werd, laat zich opmerken in zijn geschriften over de globale integratie. Zijn kritiek op het 'Limits to Competition'-rapport van de Groep van Lissabon, dat opriep tot een andere soort globalisering, is een belangrijk voorbeeld.

Het oude pleidooi van Vandenbroucke voor de politieke coördinatie van de globalisering, maakte nu plaats voor een passieve aanvaarding van deze dynamiek

Het oude pleidooi van Vandenbroucke voor de politieke coördinatie van de globalisering, maakte nu plaats voor een passieve aanvaarding van deze dynamiek. Ook binnenlands riep hij niet langer op tot actieve sturing van de Belgische economie via een investeringsbeleid, importsubstitutie of alternatieve groeimodellen, zoals het Alternatief dat wel deed. In plaats daarvan beschouwde Vandenbroucke globalisering en de verzorgingsstaat nu eerder als complementair: internationale concurrentie kon, juist aangepakt, de groei stimuleren en budgettaire ademruimte creëren. Vandenbroucke verschoof vooral de nadruk naar ontwikkelingen binnen de verzorgingsstaat, zoals vergrijzing, die weinig te zien hebben met globalisering.

Om aan te passen aan kapitalistische globalisering, was er ook een update nodig van het Belgische sociaal contract. Terwijl het Alternatief nog voorstelde om het overlegmodel meer gewicht te geven, zette Vandenbroucke nu de disfunctionaliteit ervan in de verf. De sociale partners zouden immers niet in staat zijn een consensus te smeden rond noodzakelijke economische aanpassingen, waardoor de Belgische politiek zich steeds meer genoodzaakt deze maatregelen op een 'autoritaire' manier op te leggen. Vandenbroucke verwees in dit verband vaak naar Nederland, waar werkgevers en vakbonden wel zo'n consensus konden vinden. Een dergelijk sociaal contract sloot aan bij de nieuwe realiteit die door de geglobaliseerde economie was gevormd.

Tegenover de uitdagingen van de geglobaliseerde jaren 1990, leken de gekende beleidsinstrumenten zowel voorbijgestreefd als ondoeltreffend. Vandenbroucke verlegde het debat daarom naar de nieuwe mogelijkheden die deze context bood. Dat deed hij via een veelal technische benadering rond de betaalbaarheid van de verzorgingsstaat op lange termijn. Het behoud van het systeem werd vooropgesteld, waarvoor gedeeltelijke disciplinering noodzakelijk leek. In een context van vergrijzing, zouden de kosten voor pensioenen en zorg immers veel stijgen. Aan de SP de vraag: welke kosten vallen te verantwoorden, en welke niet?

Vandenbroucke schetste enkele economische vuistregels om die afweging te kunnen maken.

Ten eerste dienden besparingen om de welvaartsstaat op de lange termijn betaalbaar te houden. De middelen die eventueel zouden vrijkomen, door de begrotingsdruk te verlichten, konden worden gebruikt om de toekomstige stijging van die kosten op te vangen. Dit hield echter in dat de gecreëerde budgettaire ruimte niet naar de uitbreiding van de sociale voorzieningen of een verlaging van de belastingen mocht gaan.

Ten tweede kon de verzorgingsstaat alleen betaalbaar blijven, als meer mensen aan het werk gingen. Vandenbroucke omschreef deze beleidsdoelstelling als het nastreven van een 'actieve verzorgingsstaat', in contrast met de 'passiviteit' van de traditionele verzorgingsstaat. Dit hield onder meer in dat de werkloosheid onder laaggeschoolde arbeiders omlaag en de vrouwelijke deelname aan de arbeidsmarkt omhoog moest.

Ten derde benadrukte Vandenbroucke in een nota voor de SP-raad (1995) van Voorzitters en Secretarissen dat de middelen "voor de sociale zekerheid hoe dan ook 'krap' zullen zijn". De SP moest een balans vinden om "de solidariteit te versterken, zonder het draagvlak ervan te breken". De verzorgingsstaat moest haar nut bewijzen aan de meerderheid van de bevolking, met name aan zij die meer bijdroegen dan ze uit het systeem ontvingen. De sociale zekerheid beperken tot de meest precaire groepen, zou haar politieke draagvlak namelijk ondermijnen.

Het is opvallend dat Vandenbroucke destijds nooit expliciet reflecteerde over zijn eigen transformatie

Het is opvallend dat de intellectueel Vandenbroucke destijds nooit expliciet reflecteerde over zijn eigen transformatie, van strijdvaardig voorvechter van het Alternatief naar faciliteerder van de Derde Weg. Had de politicus Vandenbroucke ondertussen de teugels overgenomen? Die politicus, die sinds 1989 als partijvoorzitter in het zadel zat, besteedde naast zijn technische discussies over de betaalbaarheid van de welvaartsstaat vooral aandacht aan de abstracte morele en politieke waarden die zijn nieuw project moesten rechtvaardigen. Voor die grondslagen keek hij naar de filosoof John Rawls. Sociaaldemocraten zouden zich voortaan richten op het creëren van gelijke kansen en voortdurende herverdeling, maar staatsinmenging mocht de individuele vrijheid niet langer beknotten.

Terugblikken om Vooruit te kijken

Tijdens de verkiezingsstrijd van 1999 trokken de liberalen en sociaaldemocraten fel van leer tegen de realiteitszin van elkaars economische programma's. Om een einde te maken aan de discussie, kwamen ze beiden overeen een externe audit te ondergaan. Aangezien de Vlaamse universiteiten pasten voor zo'n gepolitiseerd oordeel, kreeg consultancybureau McKinsey de rol van arbiter toebedeeld. Beide partijen kregen een beetje gelijk, wat volgens journalist Hugo De Ridder de weg bereidde voor een zekere toenadering. Bij de voorstelling van de resultaten bleken de grootste vijandelijkheden weggewerkt; McKinsey, een geschikte priester om het paarse huwelijk in te leiden.

Dit huwelijk werd voorafgegaan door een decennium van sociaaldemocratische regeringsdeelname in Dehaene's rooms-rode coalities. In deze regeringen schipperde de SP tussen het faciliteren en afremmen van besparingen. Aangezien de coalitiepartners niet tuk waren op de harde variant van het neoliberalisme uitgedragen door Verhofdstadt, kwamen besparingen voornamelijk als reactie op externe druk, eerst vanuit de NBB en de financiële markten, later vanuit Europa.

Als reactie op de crisis van de jaren 1970 en de nieuwe globale context, had de SP dus gekozen om de sociale zekerheid te behouden door haar te disciplineren. Het was immers haar belangrijkste historische verwezenlijking. Ze had het lot van de brede bevolking verbeterd, terwijl ze een aanzienlijke staatsmacht had opgebouwd. Daar kon ze zich niet zomaar van losrukken. Haar verdediging van de welvaartsstaat opende - ironisch genoeg - de deur voor besparingsregeringen onder Dehaene, Verhofstadt, en nu De Wever. Sinds 2008 kon met name de PVDA groeien op de frustraties die deze positie uitlokt, zeker nu de coalitiepartners vijandiger staan tegenover de welvaartsstaat.

Toch was de SP kort ook een andere weg ingeslagen, zoals we in dit stuk aantoonden. Als reactie op de neoliberale omslag van Martens V in 1982 had de SP een strijdbaar Alternatief aangenomen in 1983. In plaats van indexsprongen en besparingen te aanvaarden als noodzakelijke aanpassingen om de competitiviteit te waarborgen, ijverde de SP om het Belgische groeimodel te politiseren eerder dan het te laten determineren door globale marktkrachten. Het Alternatief wilde dit doen via onder andere een geleide investerings- en energiepolitiek en een herverdeling van arbeid. De crisis van het klassieke, nationale keynesianisme hoefde niet het einde van een sociaaldemocratisch offensief te betekenen.

Belangrijk hierbij is dat er in het Alternatief serieus nagedacht werd over de limieten van nationale politiek na de schok van de globale crisis van de jaren 1970. Dat gevoel van machteloosheid zou enkel maar versterken. In 1983 kon Vandenbroucke de Belgische overheidsholdings nog een conservatieve investeringsstrategie verwijten, vijf jaar later was zelf kroonjuweel Société Générale opgekocht door het Franse Suez, ondanks hevig politiek verzet. Ook al is het Alternatief nooit geprobeerd in België, in de nieuwe wereld na de jaren 1970 leken de slaagkansen ervan zienderogen te krimpen. Sociaaldemocratische politiek op globaal of Europees niveau leek daarentegen belangrijker te worden.

Het Alternatief was strijdbaar, maar deze ambitie ging later verloren bij de SP

Ook op dat vlak was het Alternatief strijdbaar, maar deze ambitie ging later verloren bij de SP. Het verlies van een politieke wens om het globaliseringsproces te coördineren - soms zelfs te temmen - heeft de politieke horizon van de SP serieus beknot. Eenmaal aanpassingen aan de globale economie centraal kwam te staan, vloeiden besparingen, indexsprongen en een inperking van de sociale partners eruit voort. Over waarom die politieke, en zeker intellectuele strijdvaardigheid is verdwenen, lijkt er binnen de sociaaldemocratische partij een historische amnesie te bestaan.

Nochtans staat het vraagstuk van een sociaaleconomisch alternatief en bijhorend groeimodel vandaag weer centraal. In een geglobaliseerde markteconomie met tanende Amerikaanse macht en staatsgeleide Chinese groei, ontplooit het speelveld van de post-neoliberale orde zich. Net als in de jaren 1970 maakt de fossiele afhankelijkheid van Europa zich pijnlijk duidelijk. Om deze situatie te beheersen, in plaats van erdoor ingehaald te worden, moet de politieke en intellectuele horizon van de sociaaldemocratie opnieuw worden opengetrokken.

Graag bedanken we David Sebrechts, Anton Jäger en Natan Hertogen.

 

SAMPOL ONLINE

40€/jaar

  • Je leest het magazine online
  • Je hebt toegang tot het enorme archief
Meest gekozen 

SAMPOL COMPLEET

50€/jaar

  • Je ontvangt het magazine in de bus
  • Je leest het magazine online
  • Je hebt toegang tot het enorme archief
 

SAMPOL STEUN

100€/jaar

  • Je ontvangt het magazine in de bus
  • Je leest het magazine online
  • Je hebt toegang tot het enorme archief
  • Je krijgt een SamPol draagtas*
 

SAMPOL SPONSOR

500€/jaar

  • Je ontvangt het magazine in de bus
  • Je leest het magazine online
  • Je hebt toegang tot het enorme archief
  • Je krijgt een SamPol draagtas*